Maaibeleid

Als gemeente houden we de openbare ruimte graag netjes en prettig leefbaar. Hieronder valt ook het maaien van het gras. We doen dit op drie manieren, afhankelijk van de plek en waarvoor die plek wordt gebruikt. We proberen een goed evenwicht te vinden tussen de verkeersveiligheid en wat goed is voor de natuur. Hoe doen we dat en waarom? Je leest het hier.

Gazons

We maaien de gazons niet volgens een vaste frequentie, maar wanneer het nodig is. Zo kan het zijn dat in een droge zomerperiode minder vaak gemaaid wordt dan in een groeizaam voorjaar, wanneer het gras sneller groeit omdat er meer regen valt.

Bloemrijke gazons 

Bloemrijke gazons zien er kleurrijk en gevarieerd uit en zijn belangrijk voor de natuur. Om de uitgezaaide bloemen te behouden maaien we deze gazons twee keer per jaar: in juni/juli en in oktober/november, afhankelijk van de groei- en weersomstandigheden. Als we dit vaker zouden maaien, komen veel soorten bloemen niet meer terug. Na het maaien wordt het gras afgevoerd. Daardoor zien deze graslanden er wat schraal uit, maar dat is juist positief voor de diversiteit aan bloemsoorten. Hoe schraler de grond, hoe waardevoller het is voor de natuur.

Om overhangende grassen en kruiden op het voetpad te voorkomen, wordt de rand van het bloemrijke gazon vaker gemaaid. Bij iedere maaibeurt laten we ook ongeveer 25% van het oppervlak staan. Hierdoor kunnen kleine dieren en insecten schuilen en hebben ze voldoende voedsel. De bloemrijke gazons komen op de velden waar al verschillende bloemen en kruiden staan. Dit zijn de velden die de kinderen niet intensief gebruiken om te spelen.

Bermen

De bermen worden twee keer per jaar gedeeltelijk gemaaid. Afhankelijk van de groei- en weersomstandigheden maaien we in de tweede helft van juni en in oktober/november. Bermen bij kruispunten van wegen en fietspaden maaien we vanwege de verkeersveiligheid twee keer per jaar. Van de berm die grenst aan een weg, fietspad of trottoir, maaien we de eerste meter twee keer per jaar. De rest van de berm maaien we zo min mogelijk.  Hierdoor krijgen meer bijzondere plantensoorten een kans en neemt de biodiversiteit toe. De planten geven bovendien beschutting en leveren voedsel voor insecten en andere dieren.